Hoewel het niet altijd zonder vlag of stoot gaat, lukt het me nog wel. Elke dag 10.000 stappen. Ik probeer dat zolang mogelijk vol te houden, omdat lopen goed voor me zou zijn. Ik loop zonder hond. Sterker nog: ik heb zelfs geen hond. Zou er best wel eentje willen, dus daarover zijn mijn man en ik nog niet uitgedacht, maar momenteel hebben we er geen.
Dus ik loop zonder hond.
Waarom de beesten het doen, weet ik niet, maar niet zelden komt zomaar uit het niets een blaffende hond op mij afgerend en springt hij of zij tegen mij op, alsof ik de plaatselijke slagerij vertegenwoordig. Meestal is de viervoeter dan onaangelijnd. Niet altijd. Ik schrik me dan een hoedje en raak daardoor in wat in vaktermen een ‘freeze’ heet. Mijn linkervoet plakt dan aan de grond en is niet van plan daarmee te stoppen. Acuut onderneem ik verwoede pogingen om mijn balans te bewaren. Vaak schuifelend of springend. Het door het baasje nageroepen en geruststellende “hij doet niets, hoor”, gaat dan niet op voor mij. Want hij doet vanalles! De hond dan. Nawankelend en letterlijk uit het lood geslagen passeer ik de eigenaar, die mij niets begrijpend nakijkt met een blik die zegt: “Zo erg was het toch niet?”
Even spannend zijn die lange lijnen. Je kent ze wel: ze lijken kort, maar zijn het niet. Je loopt op het looppad op een hond-met-eigenaar af (of hij op jou, het ligt er maar net aan vanaf welk perspectief je het bekijkt) en je schat de kans in of jij of de hond opzij gaat. Je weet dat jij dat zal zijn, want een hond gaat niet van nature opzij, maar komt altijd nieuwsgierig en kwispelstaartend naar jou toe. Je voegt je dus naar de beweegrichting van de hond (wat moet je anders) en vertraagt je marstempo. Je schat met al je denkvermogen in waar jij op het looppad je voeten moet zetten om langs de hond te gaan, zonder op zijn teentjes te gaan staan. Hopelijk luisteren je voeten naar de nauwlettende instructies die je brein eraan geeft. Maar vlak voordat je passeert wordt de hond zijn lijntje onverwacht heel lang en schiet de enthousiasteling voor jou langs, omdat-ie een poes in de andere berm opeens toch interessanter vindt. Jouw zorgvuldige nauwe-doorgang-analyse en je voet-neerzet-planning loopt in het honderd en als je niet heel veel mazzel hebt, breek je je nek over de lijn die jouw looppad doorkruist!
‘s-Avonds in de schemering – vooral in de winter – is het al helemaal gevaarlijk om buiten te wandelen. Honden lijken dan opeens op een kerstboom, want ze dragen lichtjes. Rood, blauw, groen en geel. Nauwlettend onderzoek brengt dan aan het licht, of liever gezegd aan het donker, dat er een hondenbeest zit onder het fraaie kleurtje. Maar honden zijn doorgaans bang in het donker en gaan niet zelden grommen naar een passant. Nou, ik kan je zeggen: Ik ben dat dan ook.
Er zijn wandelgebieden die ik intussen ontwijk en soms maak ik haastig rechtsomkeert als een gromhond mij de stuipen op het lijf jaagt.
Ik heb intussen ontdekt dat een hond en de eigenaar meestal beiden op het wandelpad lopen en ik daar dan niet meer langs kan. Als twee of meer eigenaren elkaar ontmoeten, wordt snel het hele pad geblokkeerd en omgetoverd tot iets wat lijkt op een gezellige buurtborrel en wordt er noch op honden, noch op onschuldige voetgangers meer gelet. In een ander geval is het wandelpad veranderd in een strijdtoneel tussen meerdere honden en trekken eigenaren verwoed aan de lijntjes om de kluwe vechtende honden te ontrafelen en hun eigen lieveling ertussenuit te hijsen.
Niet altijd gaat dat zo. Sommige hondeneigenaren houden hun lieveling even kort bij zich als iemand passeert.
Vergelijkbaar met de onvoorspelbaarheid van hondsbewegingen is die van mensbewegingen in een grote stad als Utrecht. Hele slierten voetgangers benen soms als kudden olifanten doelgericht en met denkbeeldige oogkleppen op van de ene plek naar de andere. Als je niet goed oplet, vaart mindert, of van richting verandert, word je door de stoet onder de voet gelopen. Kinderen op driewielertjes snijden je de weg af. Over de stuurmanskunst van jonge bestuurders van razendsnelle fatbikes maar niet te spreken. Onzekere, oudere vrouwen met rollator proberen zich ook een weg te banen door het tumult. Ik voel me met hen verwant, maar zij vaak niet met mij. In hun ogen ben ik nog piepjong en wendbaar. Schijn kan bedriegen.